BLADEN

vrijdag

11 JULI 1991

brief aan Natuurmonumenten                             11 juli 1991


Al enkele jaren zoeken wij een 'boerenspultsje' in het Fries kleiweidegebied rondom Franeker waarbij onze wensen zijn:
1- relatief rustig gelegen
2- karakteristiek/traditioneel gebouwd: van enige cultuurhistorische waarde tav opstallen, erf, bodem en landschap. Niet persé monumentaal, een bescheiden stelp is ook goed.


Wij werden gewezen op de boerderij Bolland als mogelijkheid. Informatie[] leert dat de boerderij in een te vormen reservaatsgebied ligt en [] onder 'beheer' van NM komt.
Wij zouden graag in aanmerking komen voor bewoning van dit pand omdat het in grote lijnen tegemoet komt aan onze woonwensen en omdat wij ook overtuigd zijn van de noodzaak van het behoud van natuur- en cultuurmonumenten- grote en kleine- en van verwevenheid van beide.
Wij zouden graag gestalte geven aan iets in deze gradiënt van natuur en cultuur.
Bouwhistorisch gezien is het pand niet van overduidelijk 'monumentale' waarde- niet 'statig'- maar voor ons genoeg om aantrekkelijk te zijn.
De gewone, kleine geschiedenis spreekt ons ook aan en teveel van deze panden sneuvelen nog of ontsnappen aan de aandacht omdat er nog zoveel grotere gered te moeten worden.


Het lijkt ons belangrijk deze boerderij in grote lijnen te conserveren tav grondplan, gevels, silhouet en erf.
Enkele concrete punten/ideeën hierover:
-geen stijlvreemde uitbouwsels en kozijnen, evt moderniseringen die storend zijn verwijderen.
-geen windmolen, grote kas, woonwagens of manege etc, dwz geen bedrijfs- of publiekstrekkende activiteiten
-in samenwerking met NM creëren van ecologisch 'eiland' [uil, zwaluw, klein [on]gedierte]
[]
-mede toezicht houden op het reservaat
-meewerken aan observaties en inventarisaties
-meewerken aan excursies


Beiden komen we uit plattelandsmilieu's.[] Wij zijn bekend met de wrijvingen
die er [nog steeds] zijn tussen boeren en 'natuurmensen', vinden dat soms wat overtrokken, maar natuurbehoud en beheer inderdaad noodzaak.
Tevens hebben we oog voor de problemen van de kleine boer.
Wij houden wel van een genuanceerde benadering[*]


De praktijk is vaak wat harder.
Wij denken er weinig moeite mee te hebben om tussen beide partijen te wonen: wel kiezend voor NM, niet tegen de boer.
Wij zijn bescheiden en rustige mensen en willen ook zo wonen en werken en dat zo houden.
[]
Wij zijn in staat tot aankoop en onderhoud.
[]
Papieren lid zijn van NM is mooi en nuttig. In diverse artikelen in het blad van NM, Natuurbehoud, duikt vaak het thema op van de -ook financiele- moeite om de bij de natuurmonumenten behorende  gebouwen te onderhouden.
Bij dezen bieden wij u aan op de ongeveer door ons aangegeven wijze daadwerkelijk en mede vorm te geven aan een stuk 'open landschaps-behoud'.
HW en MA






Assen vrijdag  14 juli 1995


Het verhaal van de sate Bolland.
Het voorjaar van 1991.
Na een lange periode van met elkaar overleggen wat we verder in ons leven zouden gaan doen, besloten we te gaan zoeken naar een [woon]boerderij.
Trefwoorden hierbij waren:
-relatief rustig gelegen
-een karakteristiek pand met cultuurhistorische kenmerken en waarden tav gebouw, erf en landschap.
Het Friese kleiweidegebied staat vol met dergelijke boerderijen en als snel vonden we een heel geschikt pand: de sate Bolland.
Het kwam prima overeen met onze woonwensen:
-Haije zou er zijn timmerwerk weer kunnen oppakken
-M kon er een eigen praktijk beginnen.
Het zou een oase van rust en ruimte worden.


NM zou de 'beheerder' worden  en aangezien wij ook lid waren leek het ons toe dat er goede overeenkomsten gesloten konden worden omdat wij naaste buren zouden zijn en ook nog een eigen weg van 800 meter moesten delen.


Er werden door ons middels brieven aan de verantwoordelijke instanties diverse voorstellen gedaan om een en ander naar behoren te regelen. Het BBL van LNV was de verkoper en bij de verkoop werden een aantal voorwaarden gesteld zoals:
- het onttrekken van de boerderij aan de agrarische bestemming dmv het verbouwen van de stallen,
- het aanbrengen en deels restaureren van een erfscheiding in de vorm van het hergraven van een gracht.


Oktober 1991 konden we het geheel aanvaarden en betrekken.


Beide gestelde voorwaarden werden voortvarend aangepakt. Het eerste seizoen al werd begonnen met het restaureren van de gracht.Vrijwel direct wed duidelijk dat dit geen eenvoudige klus zou worden doordat er twee ontdekkingen werden gedaan die het werk vertraagden. Ten eerste was de gracht met recent huisvuil gedempt. Er zou dus gedeeltelijk een sanering plaats moeten vinden. Ten tweede en tegelijkertijd ontdekten we in de taluds van de gracht en de mestkuil, die er bij gegraven was, aardewerk uit de terpentijd. 
We deden aangifte bij de provinciale archeologie, dus officieel aangezien het om een grote hoeveelheid sporen ging die niet ongezien mochten verdwijnen.
De archeologie was niet onwelwillend maar kwam niet aan waarneming toe omdat de prioriteiten elders lagen.
Het werk werd wel uitgesteld omdat er op een gegeven moment wel sprake was van een opgravingsvergunning- maar men kwam niet.
Wij hebben toen het onderzoek van de sporen zelf verder opgepakt met gebruikmaking van reguliere wetenschappelijke methoden. De schuur van de boerderij werd gebruikt als depot voor de vondsten.
Het tweede seizoen[1993] ontstond een impasse. Men zou nu echt moeten komen voor waarnemingen want het werk kon niet nog eens een seizoen worden uitgesteld.
De ROB werd door ons ingeschakeld om een en ander te bespoedigen.
Tot onze grote verbijstering werden wij in staat van beschuldiging gesteld als zouden wij een opgraving zijn begonnen terwijl wij zelf beweerden slechts na het doen van aangifte cf art 47 van de MW 1988 een en ander te hebben opgenomen in afwachting van de komst van de archeologen.
Een onderzoek naar die vertraagde komst werd door de ROB niet gedaan.
Wel werd er alsnog een 'noodopgraving' verricht en werd alles wat wij verzameld hadden onder beslag gelegd.
Hierna werd het werk aan de gracht ons geheel uit handen genomen. Onder druk van de ROB werden de resterende sporen afgedekt met de grachtinhoud.
Dat werd uitgevoerd door NM die eigenaar van het belendende perceel was waar de vondsten merendeels vandaan kwamen.
Het resultaat was een slordige sanering en reconstructie.
Dit heeft er toe geleid dat de verhoudingen ernstig werden beschadigd. Hierna was er geen constructief overleg met personeel van NM meer mogelijk.
Dit heeft er uiteindelijk mede toe geleid dat het voor ons onmogelijk werd om op Bolland te blijven want het eerste wat je nodig hebt is goed overleg met je buren.
Wij werden uiteindelijk gemangeld in een bureaucratische structuur. Gesprek met ROB, NM en prov Fryslân kwam niet op gang. We hebben van alles geprobeerd ook dmv brieven.
Uiteindelijk hebben we een onderzoek aangevraagd door de NOM maar ook deze wist met de complexiteit geen raad.
notitie dinsdag 15 aug 1995:
Ja en toen ging Haije uit z'n bol.....
Zijn levenswerk kwam ernstig in gevaar want dat was het inmiddels wel geworden. Een graf gekocht op Lions. Samen oud worden op Bolland. Genieten van de rust en de stilte en daarin bezig zijn met erf en hof. Bezig zijn voor M. Haar een goed leven bezorgen zodat zij zich verder kon ontplooien. Ze zou zelfs op termijn een eigen praktijkruimte krijgen. De tekingen lagen klaar, alles was opgemeten. Haije kon in alle rust zijn atelier voor schrijnwerk opbouwen, had ook al veel schijnwerk gedaan. En dan komt er roet in het eten door zoveel overmacht.
Het leven op Bolland werd een hel, M vertrok. Haije probeerde uitstel van executie te krijgen om althans de inventaris van de werkplaats nog te redden maar dat mocht niet meer baten. Beiden werden we zo overspannen dat de rechter er aan te pas moest komen, zodat via een kort geding een ontruiming bewerkstelligd kon worden. Wat een afgang.
Veel van Haijes inventaris ging verloren en wat M is kwijtgeraakt weet ik niet, dat zal minder zijn maar niet minder pijnlijk. Ook zij heeft er onder geleden.
Met de grootsheid van Bolland die op zo'n manier verloren ging stierf ook Irllustra, degeen die al die prachtige brieven schreef en al dat werk voor en op Bolland verzette.












* prof.dr.Ph. Breuker, vertegenwoordiger in de LIC voor 'natuurbelangen' níet.
Deze wilde mij geen hand geven, 'jo binne fór de boeren', piepte hij, nadat ik gepleit had voor het weer of beter en zelfstandiger, evt via een coöperatie of landouwe, inschakelen van de boeren bij het natuurbeheer........


En veel boeren waren ook niet mis, voor Groenveld was ik een vijand want ik woonde in 'fûgeltsjelan', eeuwig zonde, kon ik zijn boerderij identiek aan Bolland niet bekijken. Ik zal verder maar niet uitweiden over de vijandigheid en streken die me geleverd zijn...

donderdag

NÓÓIT 'DE KRANT' ERBIJ.....[?]

WAT EEN VERGISSING LEEK HET, HET FRIESCH DAGBLAD ERBIJ.....


Vanwege het feit dat het FD vaak over archeologie schreef dacht ik dat het geen kwaad kon Gerhard Bakker uit te nodigen, maar wat die van het intervieuw maakte.....en ik moest en zou zo nodig met 'een pot op de foto'.....doen alsof het dé pot Ge4 was, maar die stond op een 'neutrale plek' in de spreekkamer van de huisarts te Baard...


Later de heren die zich in allerlei bochten wrongen om zich er formeel uit te praten.....
Mijn oorspronkelijke sympathie voor de Langen kreeg weer een deuk.
De Jager maakte weer een fout door te spreken van een deels afgegraven terp.....ai.
"Gelukkig is hij nog maar nauwelijks buiten de ooit gedempte gracht geweest",
waarom dan zo'n stennis?
In 'zekere zin wierp ik een barriere op' tegen al te begerige spitters:
Jaap Scheffer wilde met een metaaldetector over het perceel, is dat niet tegen de spelregels van het AWFA?
De twee leden van het AWFA wilden maar al te graag wat scheppen en een profiel schaven..


En ja al die hoop der heren die ons een puinhoop bezorgde.....


Alles en iedereen was mij en Bolland liever kwijt dan rijk en nu ís het landschap 'leeg' voor wat betreft de boeren- en bewoningsgeschiedenis...
míjn verhaal valt in het niet bij dat wat de Langen ooit nog eens zal schrijven....kennis van onze voorouders is nuttig












maar weer eens vooreerst integraal intikken en dan analyseren, corrigeren en becommentariëren






eerste:
Friesch Dagblad 03 juli 1993:


Inwoner Lions doet kleine opgraving omdat instanties het laten afweten


'STUK BODEMARCHIEF DREIGT VERLOREN TE GAAN'


door Gerhard Bakker


LIONS- Alle archeologen heeft hij al over de vloer gehad, maar tot een opgraving wil het maar niet komen. "Niemand blijkt tijd te hebben om onderzoek te verrichten, waardoor de resten van een overslibde nederzetting naast onze boerderij in het niets dreigen te verdwijnen". H. Wijma uit Lions wordt er bijna moedeloos van. "Het is toch zonde dat weer een stuk van het bodemarchief ongelezen verloren gaat, terwijl men nu een uitgelezen kans krijgt om hier waarnemingen te verrichten"


Ruim twee jaar geleden kocht Wijma de boerderij Bolland, even buiten Lions, van de Dienst beheer Landbouwgronden, die betrokken is bij de ruilverkaveling Baarderadeel. De boerderij ligt temidden van relatienotagebied ['fûgeltjelân]; in totaal moet er binnen de rvk Baarderadeel 450 hectare een natuurbestemming krijgen.


Bij de aankoop nam Wijma de verplichring op zich om de ooit gedempte gracht rondom de boerderij in oude staat te herstellen. Meteen toen hij daarmee begon, stuitte hij op oude nederzettin gssporen. Pas drie maanden nadat hij de archeologische afdeling van het Fries Museum daarvan op de hoogte had gesteld, kwam veldmedewerker J. Boschker voor het eerst een kijkje nemen. "Ik heb gezegd dat ik liever geen opgraving wil, maar dat ze in principe alle ruimte zouden krijgen om waarnemingen te doen tijdens het uitgraven van de gracht", vertelt Wijma. "Nooit meer wat van gehoord: veldwerk heeft bij het Museum geen prioriteit meer".
De volgende die zich meldde, was de Winsumer amateur-archeoloog J. Scheffer. "En later ook twee leden van het Argeologysk Wurkferbân van de Fryske Akademy, maar die vonden het een te grote klus" herinnert Wijma zich.
Ook oud-provinciaal archeoloog G. Elzinga nam "puur op persoonlijke titel" een uitnodiging aan. De vondsten van vele scherven, botten en ander materiaal uit de tijd van het begin van de jaartelling, en recentelijk een complete pot, waren overtuigend genoeg om ieders belangstelling te wekken.
Omdat hij toch voortgang wilde maken met het uitgraven van de gracht en zijn persoonlijke interesse in archeologische richting ging, begon Wijma zelf alvast maar voorzichtig. In een diepe kuil staan nu de kratjes klaar om scherven in op te bergen. Omtrekken van putten heeft hij met touw en knijpers aangegeven "om het zo wetenschappelijk verantwoord mogelijk te doen". Plastic buizen geven aan tot welke grens hij wil gaan. In de stal staan tientallen dozen, potjes en zakken met wat hij inmiddels vond.
Vorig najaar besloot Wijma de zaak nog een niveau hoger aan te kaarten. "Ik heb toen provinciaal archeoloog  dr J.M. Bos gebeld dei voor de helft in dienst is bij het Biologisch Archeologisch Instituut [inmiddels Archeologisch Centrum Groningen, red.] Die verwees me door naar stichting Regionaal Archeologisch Archiverings Project [RAAP], omdat de wetenschappelijke prioriteit van het BAI bij de opgraving in Wijnaldum en bij de uitbreiding van het industrieterrein van Delfzijl ligt".
De st  RAAP was toen net in opdracht van de provincie begonnen met de inventarisatie van archeologisch waardevolle terreinen. "Half november kwam projectleider dr. G.J. de Langen langs" vertelt Wijma. "Hij zou in het voorjaar terugkomen, zo kondigde hij aan. Maar ook die heb ik niet meer teruggezien. In mei had hij het nog te druk met diverse raporten, zodat ik me werkelijk begin af te vragen hoe het komt...."
Donderdag heb ik tenslotte de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek [ROB] maar gebeld; die komen nu volgende week kijken". 
Wijma hoopt snel duidelijkheid te krijgen. "Ook de beheerder van de aangrenzende grond, Natuurmonumenten, wil weten waar men aan toe is. Uitstel van het graven van de gracht heb ik wel gekregen maar dat duurt natuurlijk niet eeuwig. Zelf heb ik er al veel energie in gestoken en al het graafwerk geheel vrijwillig gedaan. Het zou jammer zijn als dat allemaal voor niets is geweest".
Hoewel hij de gedane vondsten tot nu toe naar beste kunnen op tekeningen heeft vastgelegd en gedocumenteerd, knijpt Wijma hem toch enigszins.
"Mogelijk gaan ze roepen dat ik illegaal aan het opgraven ben. Maar in feite hebben ze allle kans gehad" verdedigt hij zich alvast bij voorbaat. "Vier oktober 1991 heb ik het FM al gebeld".
_________________________________________________________________
[dit moet feitelijk gecorrigeerd: 04 okt 1991 betrokken we de boerderij, melding deed ik       ....ik ging met een zakje scherven naar het FM.....]








en o wat probeerde iedereen zich eruit te praten en misstanden bij de ander te leggen, maar wat mooi dat Wijma de zondebok wel wilde zijn.....




tweede artikel
FD 


ROB verbiedt inwoner Lions nog en spade in gracht te zetten


ILLEGALE OPGRAVING STILGELEGD
door Gerhard Bakker


LIONS- De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek [ROB] heeft H.Wijma in Lions ten strengste verboden nog verder te graven in de gracht naast zijn boerderij. Alle vondsten die hij de afgelopen jaren deed moet hij inleveren bij het Fries Museum. De provincie krijgt het advies om ter plaatse een inspectie te laten verrichten door de st RAAP. 
Zoals deze krant zaterdag al meldde, probeert Wijma al sinds begin vorig jaar de archeologie er toe te bewegen om waarnemingen te doen in de gracht naast zijn boerderij. Die gracht moet hij uitgraven in opdracht van Natuurmonumenten, de beheerder van het omliggende gebied. Op al zijn verzoeken kreeg Wijma nul op zijn rekest, tot hij maandag de ROB op bezoek kreeg. Die constateerde dat Wijma in feite onrechtmatig bezig was. De Monumentenwet verbiedt het gericht graven naar archeologische voorwerpen uitdrukkelijk. Toch wordt er geen proces-verbaal opgemaakt. "Het betreft in dit geval geen schatgraver maar iemand die alvast begonnen is uit gedrevenheid voor de archeologie" legt regionaal archeoloog drs. S.W. Jager van de ROB uit. "En gelukkig is hij nog maar nauwelijks buiten de ooit gedempte gracht geweest".
Volgens Jager kan de gracht best uitgegraven worden zonder dat de bodemsporen er net buiten nog verder worden aangetast. "Aan de provincie Friesland heb ik geadviseerd om RAAP voorafgaand aan het graafwerk een inspectie te laten doen. Met de grond die uit de gracht komt kan de ernaast gelegen mestkuil opgevuld worden".
De regionaal archeoloog vermoedt dat er onder de boerderij geen overslibde nederzetting ligt, zoals Wijma denkt, maar een deels afgegraven terprestant. "Een booronderzoek zal dat duidelijk kunnen maken.". 
Projectleider dr.G.J.De Langen van RAAP hoopt op korte termijn tijd te mogen vrijmaken. "We wachten op toestemming van de provincie , want het veldwerk wat op dit terrein nodig is valt buiten het kader van ons inventarisatieproject. Over een enkele boring valt nog wel te praten maar problemen rijzen wanneer het booronderzoek te uitgebreid wordt en de beschermenswaardigheid van het terrein achteraf blijkt tegen te vallen". Het is volgens de Langen niet uitgesloten dat RAAP ter plekke moet constateren dat de blootgekomen grondsporen moeten worden vastgelegd. "Door dat zelf te doen zou ik zeker mijn boekje te buityen gaan. We hebben het overigens wel eens gedaan, bijvoorbeeld in Hempens. Daar dreigde een een schuur over een oude nederzetting gebouwd te worden, die we dankzij de medewerking van de boer nog hebben kunnen documenteren. RAAP heeft dat in eigen tijd gedaan, om aan te tonen dat er regelmatig bodemsporen ongezien dreigen te verdwijnen".
Dit alles betekent volgens de Langen niet dat de provincie het probleem zomaar van tafel heeft geschoven. "Ook daar is men zich terdege bewust van de noodzaak van een bescheiden veldverkenning in Lions. Daarom onderzoekt de provincie nog of het mogelijk is om op dit moment andere gelden vrij te maken". De Langen meent dat 'Lions' opnieuw duidelijk maakt dat de provincie snel met een structurele oplossing voor de archeologie in Friesland moet komen. "Het Fries Museum rekent het veldwerk niet meer tot haar kerntaken. Ook de universiteit in Groningen heeft andere prioriteiten dan de bodembescherming in Friesland. De ROB alleen kan de kar niet trekken. Ik heb de indruk dat de doorbraak tot een oplossing door de provincie en de gemeenten kan worden gemaakt. Hieraan wordt gewerkt, door de provincie althans, zodat ik vooralsnog gematigd optimistisch ben".
ROB-archeoloog Jager heeft evenzeer enige hoop op de toekomst. Hij wijst op de plannen van de drie noordelijk provincies om gezamenlijk een archeologische dienst op te richten met enkele medewerkers, die naast het beheren van een depot met vondsten tevens veldwek doen. "Het is afwachten met welk voorstel de provincies  komen".
_________________________________________________________________




UITEINDELIJK IS DIT DAN WÉL IETS VAN 'HET HEEFT IN DE KRANT GESTAAN' DUS HET ZAL WEL WAAR ZIJN...geeft de mogelijkheid.....mijn 'verhaal zonder getuigen' enigszins te relativeren eh re eh...

ALLES AFTIKKEN....Romeins Onderzoeks Bataljon










Den Haag  19 juli 1993
beste haije,


"Als de overheid er geen geld in steekt wordt het automatisch een zaak van de burger".
Stelt de burger geen daden dan verloedert met de onwil dan wel het onbenul van de boeren het landschap, inclusief de bodemkundige en zeer zeker de archeologische rijkdom.
Deze laatste zin is een toevoeging van mij, een boerenzoon nota bene.
De manier waarop jij nu bezig bent om een stukje van de cultuurhistorische waarden te archiveren en bekend te maken lijkt me de enige juiste..
Op de plaats waar straks de boerderijgracht moet komen zal met grote happen een zware aanslag gepleegd worden op de schatten van jullie erf. Door juist op dit moment, voorafgaande aan die graverij je erf op de door jou uitgedokterde wijze vast te leggen ben je op een prachtige manier bezig om jezelf en je omgeving meer inzicht te verschaffen in de rijke bewoningsgeschiedenis van de plek waar jullie nu wonen. Ik realiseerde me dat dubbel en dwars toen ik vocht met die zompige klei, die uit de put moest om verder te kunnen kijken. Prachtig was dat. De accuratesse waarmee je instructies verleende en de achtergrondinformatie die je daarbij gaf was voortreffelijk. Ik stond verbaasd van de kennis die je had weten te vergaren in de relatief korte tijd die je er mee bezig hebt kunnen zijn.
Nogmaals mijn hartelijke dank voor de gastvrijheid en die geweldige graafpartij.
Grote groet G.


Ir GTA de V.
Den Haag




                                                                                             Bolland  25 aug 1993


BigPig,
hele en andermaal nu je je tr|n|ogmaals in het zweet hebt gewerkt om letterlijk meer zicht te krijgen op hetgeen zich hier in ruim 2000 jaar heeft voorgedaan- en nu dan de put versneld en afgedwongen is dichtgegooid, qua uitvoering geheel niet en qua intenties helemaal niet naar mijn wens- zal ik ooit met jou de Fujisan bestijgen en daar een scherf achterlaten zo dat al toegestaan is aan westerlingen. Zín wij dat eigenlijk?
Ik weet niet veel meer dan dat het voor inwoners van Nippon een soort heilig moeten is, op te gaan, eens per [zoveel] jaar of per leven [ en ook vrouwen?].
Bovendien heeft men mij mediagedeeld dat het een ware kermis is zoals de Pietersberg hier en de Gaustatoppen in Norge -dat is daar ook al zo mooi: ploeter je uren naar boven, staat daar een forse radartoren van de nato, bereikbaar via een tunnellift in pakweg vijf minuten. De functie van de radar is weggevallen- de meeste oorlogen zijn nu weer in [w]arme landen, alhoewel...en nu zijn er plannen om de tunnel toeristisch aantrekkelijk te maken... en weer een massa voor de kassa.-
Prima.
Elk idee vanuit Nippon om alle Jappen [ooit] naar Bolland te krijgen is welkom mits het bovengronds maar niet hoor en zichtbaar te druk wordt en mitst, maar dat was je al duidelijk, minstens per Jap een [deel] vark het land uit. Aan jou om te onderhandelen over de hoeveelheid vark per jap [over quoteringsregelingen in dezen zijn mogelijk inlichtingen te bekomen in vh de DDR en nog steeds Israel.....
hoe ruil je goed en slecht
hoe slecht je goed en ruil
hoe goed je slecht en|of ruilt
hoeveel rooien voor een groene
hoeveel jooien voor een palestijn
hoeveel dooien voor een olievat
hoeveel ambtners voor een boer
hoeveel klanten voor een hoer
hoeveel mais voor de deur?


Zijn |er  |meer|  jappen |dan   | varkens of net andersom
             |dan  |               |meer|
Wie gedroegen zich als 'beesten' in Indïe? Niet enkel de Jappen maar ook 'onze jongens', maar dat kunnen, mogen en willen we niet weten....
[]
zoals ook heden ten dage niet bekend mag worden dat wij hier in de grond hebben staan wroeten om 'enige'kennis op te doen van [ en in] het heden en verleden. Onze jongens hebben hier toch mooi wat 'opgespit', ondanks ons grond|verzet...
Na jullie vertrek heb ik nog tot de 12e aug [de datum van de executie] veel tijd en kracht besteed aan het opnemen van de structuren [deels ook verder door jullie blootgelegd] dmv optekenen op glasplaten en vervolgens overbrengen op calceerpapier, op en inmeten..
en maar 'spitten*'....
Goed, ik heb dan de informatie die mogelijk was in dit bestek.... en zij, de archeologen, de deskundigen?
Dan komt de kraan en de archeologen om het graafproces te begeleiden, vinden ze 't allang goed dat alles ingestort is en Wijma nog enig werk heeft verricht om de recente verstoringen uit te zoeken [sic]. Ze doen niks, ze nemen niks op en uiteindelijk laten ze de te beschermen sporen tóch deels door die zware kraan verrijden en verstampen en vertrekken doornat om 12 uur en dan mag|kan Wijma de machinist nóg eens aanwijzen wat nou die stort is die over de put moet worden getrokken teneinde de archeologen na het jaar 2015 nog eens in staat te stellen als er eindelijk tijd en geld is voor dit soort werk....zielig he..... En hopenlijk medio september krijgen we een notitie- grotendeels gebaseerd op mijn waarnemingen dat de beschermenswaardigheid toch wel tegenviel..
dus er is niks 'verloren' en dat beetje vuil waar wij mee zitten?
Ach dat ruimt zich toch vanzelf wel op..
[] Haije










Monumentenwet 1988:
artikel 1
monumenten
b1- alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde
h- het doen van opgravingen: het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt.

  • Artikel 53
    • 1.Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister.
    • 2.De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.
  • Artikel 54
    Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij verstoring van de bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister.








nb werkbrief van 14 mei 1993:































bovenstaande tekening notabene ter inzage aan NM, RAAP, BB gegeven


tsja, wat moet je als burger als je 'ouwe rotzooi' vind, aangifte doet en er geen sprake is van archeologische waarde nóch wetenschappelijke  belangstelling?
gewoon doorgraven....het werk uitvoeren zoals gepland zoals elke aannemer op elk boerenerf doet met de loopstallen. Ik vond het wél van 'waarde' en ik heb het onderzoek gedaan wat de archeologen te min vonden, wetenschappelijk verantwoord, daarom leek het ook zo verdacht veel op een opgraving.....
zie ook EXECUTIEEXERCITIE




Rijksdienst voor het
Oudheidkundig
Bodemonderzoek


tav drs. S.W.Jager


ons kenmerk: nederzettingsrestanten Bolland


Lions 31 08 1993


Weledelgeleerde heer,


vrijwel daags na uw bezoek aan ons dd 5 juli 1993 mochten wij kennis nemen van een door u opgesteld schrijven waarin u verslag deed van uw bevindingen alhier en uw voornemens uitsprak om een en ander verder af te handelen.
Het team van de stichting RAAP [vestiging Leeuwarden] is olv dr. G.J. de Langen hier geweest dd 21,22 en 23  juli 1993 en heeft een groot deel van de bij graafwerkzaamheden ten behoeve van een erfscheidingsreconstructie te voorschijn gekomen archaische sporen in situ bemonsterd en tevens een groot deel van het eerder door ons uit de taluds van de bouwput verzamelde materiaal en enige boringen en metingen verricht.


Wij zijn tevreden met het feit dat er nu niet alleen bemonsterd is maar ook met de toezegging van dhr. de Langen dat hij zijn uiterste best zou doen om een en ander wetenschappelijk geanalyseerd en gedetermineerd te doen krijgen en later het materiaal in een daartoe aangewezen depot onder te brengen. Dit lijkt ons vrijwel conform uw adviezen.


Helaas beperkt onze tevredenheid zich tot bovenvermelde actuele ontwikkelingen.


Al wat zich tot nu toe heeft afgespeeld in deze- ook door u zo verwoordde- 'slepende' zaak is daarmee wat ons betreft niet afgedaan.


Temeer daar u gemeend hebt te moeten constateren dat onze werkzaamheden in strijd waren met de Monumentenwet zonder nadere argumentatie of explicatie.


Wij weten ons een partij in dezen en blijven dat ongeacht een formele overdracht en overname van materiaal en activiteiten tav het vondstcomplex dat merendeels gesitueerd was op aangrenzend eigendom van de Verniging tot behoud van Natuurmonumenten [NM].
Het moge u inmiddels duidelijk zijn dat wij in voortdurend overleg met vertegenwoordigers van NM hebben gehandeld, waarmee niet gezegd is:onder verantwoordelijkheid van.


Wij zijn het geweest die in alle openheid melding hebben gemaakt van het hier aangetroffene en volop de gelegenheid hebben geboden tot het doen van waarnemingen [in brede zin] door onze werkzaamheden twee seizoenen uit te stellen cq aan te passen en uitnodigingen te blijven doen uitgaan.


Door onze attentie is er een tot nu toe niet als zodanig bekend staande situs toegevoegd aan het 'gelezen bodemarchief' en hebben wij een, zij het relatief minieme, bijdrage geleverd aan de kennisneming van de geschiedenis.


Wij verzoeken u om in uw hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek  ons uw visie te geven aangaande het door ons ervaren onvermogen van daartoe aangewezen instanties om 'adequaat' [sensu lato] te reageren in dezen en daarbij ook de hier dan door ons uitgesproken twijfel over ons handelen als zijnde in strijd met de Monumentenwet te betrekken.


Wij zouden het zeer op prijs stellen een reactie van u te ontvangen,
in afwachting verblijven wij,
hoogachtend,


H. Wijma en MA*


iaa YLoff, districtsbeheerder NM
      GJ de Langen, projectleider RAAP






[*tsja, partner MA trok zich steeds meer terug en uiteindelijk er vanaf: het werd en bleef 'mijn zaak'.....]




Een bedroevend geformuleerd en inadequaat antwoord volgde: vriendelijk gezegd eromheen en overheen praten...geen integrale, globale, regionale of locale visie maar iets wat 'niet uitsteekt boven de rand van de opgravingssleuf' [citaat]
een redenering vanuit het eigen gelijk.....het was ook geen antwoord, maar een mededeling, kan net als het memo zo in de versnipperaar volgens de V. én er was geen enkele formaliteit: "hebben jullie iets getekend?" eh, nee....dan heb je het afgestaan voor wetenschappelijk onderzoek en mag je de spullen als vinder terugverwachten zes maanden na dato..... dit cf art 53.....etc. Niet in mijn belang.








H Wijma en MA
archeologische sporen bij Bolland
                                                                                        Amersfoort 29 sept 1993
Geachte...


In antwoord op uw brief van 31 aug 1993 deel ik u het volgende mede.


In uw brief stelt u terecht dat u in alle openheid melding hebt gemaakt van de bij uw boerderij aan het licht gekomen archeologische overblijfselen en volop gelegenheid geboden tot het doen van waarnemingen.
Daarvoor spreek ik nogmaals mijn dank uit.
Het geeft ook uw betrokkenheid aan met een stukje locale geschiedenis dat niet zonder onderzoek verloren mocht gaan.
Het is mijns insziens ook deze bewogenheid geweest die heeft geleid tot een beoordelingsfout van uw kant.
U bent namelijk op eigen houtje een opgraving begonnen om ter plaats het bodemarchief beter te leren kennen.
Zoals u wellicht weet is dit alleen voorbehouden aan instellingen die hiertoe bevoegd zijn.
In uw geval was hiervan geen sprake.
In feite hebt u zich hiermee schuldig gemaakt aan een overtreding van de Monumentenwet [1988].
Er waren echter verzachtende omstandigheden die er toe hebben geleid hier geen halszaak van te maken.
De belangrijkste is wel dat u zo lang in het ongewisse bent gelaten omtrent uw melding.
Overigens ben ik van mening dat er op zich geen enkele aanleiding was om de slootreconstructie zo lang uit stellen. De sloot in kwestie kon op betrekkelijk eenvoudige wijze worden hergraven zonder verlies of aantasting van archeologische waarden.
U wilde echter precies weten wat er zat en wierp daarmee in zekere zin zelf ook een barriere op. Een globale waarneming was op zich voldoende geweest.
Naderhand had het terrein verder kunnen worden verkend om de aard, omvang en kwaliteit van het bodemarchief nader te bepalen.
Met het plaatsen van deze kanttekening wil ik echter niet verhullen dat er in Friesland sprake is van een vacuum op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
Ik hoop dat hierin spoedig verandering komt en dat in de toekomst mensen op een adequate wijze kunnen worden geholpen als ze menen een stuk waardevol bodemarchief ontdekt te hebben.


Hoogachtend,


S.W.Jager
regionaal archeoloog
voor Noord-Nederland


iaa
provincie Friesland:
W van Gelder
RAAP:
dr G J de Langen 
NM:
Y Loff 








aan de V:
                                                                                                     Bolland 03 10 1993 Holland
Simplexiteit en simplificatie van dit soort verbijstert mij nog steeds. Gelukkig vind ik hier honderden m² gras dat platligt en toch maar blijft groeien en duizenden dakpannen die dwarsliggen en lekken en die ik niet de baas kan en ik voel me dan ook zo'n ambtenaar: 
veel hoop op een betere toekomst terwijl je wéét dat het volgend jaar weer [of nog] hetzelfde is [of erger].
Gelukkig ligt mijn toekomst niet in scherven
 [althans niet in die van 'archeologische waarde'].


Kunnen wij van de landbouwattaché voor Japan en Korea [] binnenkort nog een nota verwachten waarin hij 'aantoont' dat het niet nodig is geweest de varkens op te fokken om naar Azie te vertrekken aangezien hij van mening is dat zijns insziens op betrekkelijk eenvoudige wijze een andere mogelijkheid om de veestapel te reduceren te realiseren viel?
Don't knorry man, ik lig niet wakker van dit schrijven, wél van het feit dat ik het er eigenlijk niet bij kan hebben druk als ik het heb met wat hier moet voor elkaar te krijgen [dat wat ik zou willen heb ik allang opgegeven]- hiermee is [bijna] alles gezegd: het gaat echt niet meer.
Een beetje rondkreupelen, hier en daar een een grasspriet maaien, een pan rechtleggen, een ambtenaar betrappen.....
en sparen voor een reis naar de Fuji-san.
Wijma op d|en top.


 





Had ik maar gedáán wat ik overwoog voorjaar 1993: gewoon de sporen met de kraan voorzichtig uitlepelen, zodat het noodzakelijke gat groot genoeg werd, en op het erf zetten en verder met de sanering en reconstructie.....de 'archeologische gemeenschap' was gefocussed op Wynâm, tsja, een koningsgraf.....dan is een overslibde vlaknederzetting maar saai.....voor mij stond het eigenlijk wel vast dat het hier om een aan te wijzen archeolgisch waardevol terrein zou kunnen gaan.
Wonderwel werd dit ook achteraf en met terugwerkende kracht geconstateerd.....


Geen wachten meer.........konden onze gasten lekker peuteren en ik veel gedetailleerder alles in alle rust bestuderen...:
er wás immers geen sprake van vastgestelde of vast te stellen archeologische waarde nóch belangstelling.....behalve voor en van mij en enkele gasten. 










woensdag

LIONSERPOLDER BOLLAND SATE LYONSERPOLDER LIONS LEONS HUINS HÚNS HESENS

LIONSERPOLDER KOLDER  HESENSERPOLDER
TOTAAL 450 HA GERESERVEERD, AANGEWEZEN
MAAR O WAT GAAT DAT VERWERVEN MOEIZAAM

EN DE BOER? HIJ PLOEGT VOORT.....MAAKT EEN MESTOPSLAG MET DE KLEI UIT DE  UITGEGRAVEN GRENSSLOOT.....

BRIEF AAN PROVINCIAAL ARCHEOLOOG FRIESLAND 07 09 1999



                                                                                                           Assen 07 09 1999*

[]
provinsje Fryslân 
de provinciaal archeoloog 
dr.G.J. de Langen    


onderwerp:
cultuurhistorische waarden en bescherming
Hesenser-Lyonserpolder


Geachte heer de Langen


Het zou gewenst zijn dat er ten aanzien van de ruilverkaveling Baarderadeel en in het bijzonder voor de reservaatsgebieden spoedig een actiever aandeel voor en van de cultuurhistorici te bespeuren valt.


Ik deel de bezorgdheid over het versneld teloorgaan van het landschaps- inclusief het bodemarchief.
De ingrepen worden steeds grootschaliger door natuurbeschermings- en natuurontwikkelings-processen en -procedures
De waarde van het oude boerenland wordt niet meer alleen bedreigd door landbouw maar ook  door natuurbouw.


Van 1991 tot 1995 dacht ik als bewoner van Bolland bij Lions [Frl] in practische zin nog iets in deze ontwikkelingen te kunnen vertragen.
Mijn boerderij zou weldra opgenomen worden in een Beschermd Landschap[sgezicht]Lions.
De boerderij zou een 'beeldbepalend element' in een waardevol ensemble worden met het al bestaande beschermde dorpsgezicht Huins en Lions.
Bij het reconstrueren van de oorspronkelijke gracht kwam ik bij toeval oudheidkundig interessante structuren tegen en ik probeerde archeologen er toe te bewegen hier kennis van te nemen en dit eventueel op te nemen.
Het zou iets kunnen toevoegen aan het toch al interessante beeld wat er bestond over het oude polderlandschap.
G.Elzinga, uw voorganger, is een paar keer bij mij op het erf geweest om mijn werk aan het vastleggen van het bodemarchief te aanschouwen.
Het idee dat ik aan deze bezoeken heb overgehouden was dat dhr. Elzinga toen wel heel letterlijk en figuurlijk in zijn gesuggereerde terpen-relatiegebied stond.
Alle ingredienten om hem heen: tweeëntwintig kerktorens en ook vele boerenerven. Binnen het relatienotagebied vele interessante oudheidkundige waarden.
Helaas bleek al spoedig dat ook hij de relatie niet meer weet te leggen tussen wat hij schreef in 1988 in 'Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied' en de huidige ontwikkelingen.


Maar het ging mij om een uitgelezen kans om met Natuurmonumenten een terpen-relatiegebied veilig te stellen.
Met een kleine uitbreiding, zonder al te veel directe restricties, naar Battens, Faldens, Huins, Hoptille, Hijlaard en Jorwerd is er het gebied wat iedereen zo graag wilde.


Dan zou het "allerlaatste"' kengebied in een endemisch kerngebied van de EHS enigszins veilig gesteld kunnen worden.


Overigens wil ik hier uitdrukkelijk stellen dat het níet mijn bedoeling is met u in discussie te gaan over de vermeende illegale graafwerkzaamheden die ik zou hebben verricht.
Impliciet is mijn werk wetenschappelijk erkend door het opnemen van contextuele informatie [in  uw publicatie in Paleo-Aktueel 5, 1994 en Noorderbreedte jun/aug 1994].


U adviseerde mij eens- toen nog in uw functie als projectleider st RAAP- "een brief aan de minister te schrijven" en dat lijkt mij ook het geëigende kanaal om nog eens duidelijkheid te scheppen over de eigen verantwoordelijkheid die ik heb genomen tot behoud en beheer van het bodemarchief rond Bolland -sensu lato-.
Om misverstanden te voorkomen: ik was en ben geen amateur-archeoloog, wel heb ik mij ontplooid tot archiefonderzoeker.


Er wordt door de overheid verlangd dat ook burgers actief tot zelfs creatief zich bezighouden met cultuur en natuur en milieu.
Ik heb die verantwoordelijkheid letterlijk genomen en ben van 1991 tot 1995 op Bolland bezig geweest met het cultuurhistorische behoud en beheer.


Van nazorg ten aanzien van het bodembeheer rond Bolland lijkt nog geen sprake.
Informatie bij de LIC, st RAAP, ROB, AMW, NM en IKC [mrt/apr 1999] leert dat er ook nu nog weinig tot niets bekend is over de te behouden archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied rond Bolland.
Ook weet men mij weinig te vertellen over samenwerking daarin.


Er zijn een paar practische zaken die ik wil aanstippen.


Ik heb het personeel van de st RAAP op 21 en 22 juli 1993 wel gewezen op nederzettingen recenter dan AD -50 tot +50. Niet alleen op perceel 979 maar er lagen ook kaarten ter inzage over het omliggende gebied en tevens scherven om mee te nemen voor onderzoek. Deze informatie is echter genegeerd.


Nog steeds heb ik het vermoeden, af te leiden uit de projectie van de Schotanuskaart uit 1718 op de huidige topografie [en oudere kadasterkaarten] dat er vóór ong 1700 een boerderij gestaan heeft op een nog te herkennen uithoek van perceel 1295, nu eigendom van NM.
Gezien de aard en structuur van het landschap en het eerder aangetroffen zijn van overslibde vlaknederzettingen is het niet onmogelijk dat ook hier naast en onder de bewoning tot ong 1700 een nederzetting ligt van rond het begin van de jaartelling. Een booronderzoek zou een en ander kunnen uitwijzen en mijn hypothese bevestigen.
Voor mij staat het eigenlijk wel vast dat het hier om archeologisch [zeer] waardevolle terreinen gaat tenzij het tegenovergestelde zou blijken uit booronderzoek en uw professionele en gekwalificeerde oordeel.


Tot op heden heb ik nooit een antwoord gekregen op de vraag of de percelen 979 en vh 1279 dls. nu een natuur-, een cultuur of- een saneerreservaat zijn, laat staan de omliggende percelen.


Met het argument waarmee Bolland door Natuurmonumenten werd afgebroken, namelijk "dat het een levensvoorwaarde is voor weidevogels, een uitgestrekt, overzichtelijk landschap" neem ik geen genoegen.


Het ontwerpplan voor de ruilverkaveling Baarderadeel [25nov1994] spreekt nog steeds van een 'leemte' in de archeologische kennis en van mogelijkheden voor onderzoek bij inrichtingswerken.
Ook zal een zinssnede als "de deplorabele conserveringstoestand van de archeologische terreinen in Littenseradiel" u niet onbekend voorkomen.

Verder zijn er door mij nog meerdere cultuurhistorische structuren [her]ontdekt door bestudering van luchtfoto's etc. Merkwaardig vond ik altijd dat de de eerste onderzoekers van het gebied, drs A.J. Haartsen en prof.drs. J.A.J. Vervloet [rond 1977, zie NWCadvies 80613 van nov 1980], open stonden voor aanvullende en soms corrigerende informatie maar dat dat door mensen die zich pas veel later met het inrichtingswerk gingen bezighouden soms niet op prijs tot zelfs afgewezen wordt.


Voorlopig hoop ik u genoeg geinformeerd te hebben en ik zou graag zien dat mijn hypothese tav perceel tav perceel 1295 bevestigd dan wel ontkracht kan worden, zodat ik dat op kan nemen in mijn nog in bewerking zijnde studie over de agro-cultuur-historie van de Sate en landen Bolland over 2500 jaar.
Hopend op een spoedige reactie van uw kant en hoogachtend, verblijf ik


H Wijma
[]
Assen
[]* 


iaa
bestuur en of directie van de in de  brief genoemde partijen. Tsja...leek me wel zo 'fatsoenlijk'...
NM, ROB, RAAP, prov Fryslân, LIC...had ik beter niet kunnen doen, doodzwijgen was het gevolg...GW van Herwaarden reageerde en GJ Borger schreef zowaar een uitgebreide brief
namens de dr AABeekmansticting.. een professorale, maar wel professionele, reactie...







[*een door GTA de V. geredigeerde brief en rappel, de eerste was te cynisch, maar ook op deze zeer nette versie wist de Langen niet te reageren: 'ik kon de juiste toon niet vinden'- mededeling in een latere brief die inmiddels vernietigd is-.Op het 'origineel' werd terecht niet gereageerd, zoiets kan direct in de versnipperaar aldus de V.]






Wat schrijft ir. HR op 07 06 1999:


"Bedankt voor alle aanvullende informatie. De zorg is wat afgenomen. Ik begrijp terdege dat de zaak Bolland en je persoonlijke herstel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Je inzet als zeer geinteresseerde/betrokken burger bij de cultuurhistorie van je omgeving heeft me altijd sterk getroffen: je wilde er echt studie van maken en wist allerlei kanalen te benutten om 
-zonder status van een organisatie- materiaal/gegevens boven water te krijgen. De brief aan GJ de Langen is op hoofdlijnen duidelijk. Ik begrijp ook goed dat het onmogelijk is je enkel in feiten uit te drukken. Je geeft zelf al aan dat enig cynisme onvermijdelijk is [met name in de bijlagen]. Aan de andere kant zullen deze gevoelige uitdrukkingen wel eens tot afhoudende of geen reactie kunnen leiden. Maar ja, de wereld bestaat niet alleen uit feiten. []"


Het is net een reactie die ik nu nodig heb.
Haije












Dr AA Beekmanstichting
opgericht 1971
ter bevordering van de beoefening
van de historische geografie,
die ik ook de -eerste- brief toestuurde:






                                                                                 Amsterdam  1 sept 1999
Geachte heer Wijma,


in de jongste bestuursvergadering van de stichting hebben wij uitgebreid stilgestaan bij uw brief van 5 mei jl en het daarbij gevoegde afschrift van uw brief aan de pa van Friesland, dr GJ de Langen. Tijdens deze vergadering waren wij allen onder de indruk van de niet aflatende ijver waarmee u zich inzet en ingezet hebt voor het behoud van het waardevolle cultuurlandschap rond Lions. Duidelijk kwam uit uw brief naar voren dat het een taaie, moeizame en vaak eenzame strijd was die u te voeren had. Voor de duidelijkheid moet ik u toegeven dat wij tijdens de vergadering niet gedetailleerd op de hoogte waren van de gang van zaken rond Bolland. Uit uw brief hebben wij opgemaakt dat het een waardevolle oude boerderij is geweest, gelegen op een nog ongeschonden terp, die in de loop van het proces van ruilverkaveling is opgeofferd ten gunste van een natuurreservaat of natuurontwikkelingsproject. Als er nog meer bijzonderheden van belang zijn om een goede afweging te kunnen maken van de gang van zaken rond de boerderij Bolland dan worden wij daarover graag nog door u nader geïnformeerd. Voorlopig gaan wij er vanuit dat wij uit de brief een goed beeld hebben kunnen krijgen van de voornaamste landschappelijke veranderingen die zich op en rondom  de boerderij Bolland gedurende de laatste tien jaar hebben voorgedaan. Het is ons echter niet gelukt om uit de beschikbare informatie een helder beeld te krijgen van de verschillende ambtelijke en bestuurlijke procedures die bij dit alles zijn gevolgd. Zo veel is ons uit de brief wel duidelijk geworden dat er op vele punten fouten zijn gemaakt of in ieder geval dat er beslissingen zijn genomen die in hun mogelijk onvoorziene uitwerking een negatief gevolg hebben gehad op de cultuurhistorische waarden en de landschappelijke kwaliteit van Lions en omgeving. 
De onderstaande reactie heeft betrekking op die perceptie van de strekking van de brief.
Mochten er op onderdelen aspecten zijn die naar uw oordeel voor ons noodzakelijk zijn om te weten om een juiste inschatting te kunnen maken van de gang van zaken in Lions en omgeving dan worden wij daarover graag nog nader door u geïnformeerd.


Nogmaals willen wij benadrukken dat wij onder de indruk waren van de moeiten die u zich hebt getroost en de inspanningen die u hebt gedaan om te komen tot behoud van het waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische ensemble op en rond de terp van de boerderij Bolland.
Uit ervaring is het ons bekend dat het vaak buitengewoon moeilijk is om buitenstaanders te overtuigen van de zeggingskracht en de waarde van cultuurhistorische kwaliteiten. Meestal is er daarbij geen sprake van onbegrip of onvermogen maar niet uit te sluiten is dat in een aantal gevallen ook duidelijk sprake is van onwil vanwege anders gerichte belangen. Uit de brief is ons gebleken dat u ook gestuit bent op onbegrip of onwil bij mensen aan wie voldoende vertrouwdheid met het belang van het culturele erfgoed mag worden toegedacht maar die desondanks op een buitengewoon teleurstellende wijze hebben gereageerd op uw inspanningen en bemoeienissen. Op dat aspect zullen we in het onderstaande nog terugkomen maar eerst willen we nader ingaan op de achtergronden van de vaak onwelwillende houding van mensen die minder vertrouwd zijn met het belang, de eigenschappen en de kwaliteiten van het cultureel erfgoed. Naar onze ervaring speelt daarbij vaak een rol dat men nog wel begrip kan opbrengen voor het disciplinaire belang van de afzonderlijke elementen die deel uitmaken van het culturele erfgoed maar dat men niet kan inzien wat de meerwaarde is van een samenstel van elementen die elk een eigen disciplinaire achtergrond hebben. Bij archeologische vondsten en vindplaatsen kan men zich dan nog wat voorstellen en ook bouwkundige objecten als kastelen, molens en boerderijen die in een streekeigen stijl zijn gebouwd weet men nog wel op waarde te schatten. Moeilijker wordt het echter wanneer aangegeven moet worden welke meerwaarde een concrete ruimtelijke context en samenhang toevoegt aan de cultuurhistorische betekenis van dergelijke afzonderlijke elementen. De ervaring wijst uit dat het voor bestuurders en planologen in de praktijk vaak buitengewoon moeilijk is om zich daarbij nog iets voor te stellen en vaak hebben wij moeten vaststellen dat ook deskundigen op een terrein van één van de cultuurhistorische disciplines niet in staat zijn om over de genzen van hun vakgebied heen te kijken en het belang van een dergelijke ruimtelijke samenhang op waarde te schatten. Het is dan ook om die reden dat de stichting al vele jaren pleit voor een integrale belangenbehartiging van de cultuurhistorie. 
Het gaat niet alleen om de afzonderlijke objecten van archeologisch, bouwkundig of historisch-geografisch belang maar vooral om de meerwaarde die het gevolg is van de samenhang van die afzonderlijke elementen in een concrete ruimtelijke context. In dat opzicht hebben wij de laatste jaren in de verschillende Beekmannota's gepleit voor een interne integratie van de cultuurhistorie. Alleen als de beoefenaren van de verschillende cultuurhistorische disciplines in staat zijn om het belang van een integrale belangenbehartiging van de cultuurhistorie te onderkennen en uit te dragen is er, naar onze overtuiging, een mogelijkheid het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening beter te verdedigen en zal het mogelijk worden om zich gerichter in te zetten voor het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische kwaliteit van de Nederlandse steden, dorpen en landschappen.
Gezien de ongelukkige ervaringen die u hebt beschreven in uw brief moeten wij vaststellen dat de initiatieven die wij in het kader van de stichting hebben genomen nog lang niet hun doel hebben bereikt. Voor ons is dat een aansporing om onvermoeid op de ingeslagen weg door te gaan. daarbij willen we wel opmerken dat er naar onze overtuiging de laatste jaren op dit punt wezenlijke vooruitgang is geboekt. Met name de door de ministers Pronk [VROM] en Netelenbos [V&W] en de staatssecretarissen Van der Ploeg [OCW] en Faber [LNV] ondertekende Nota Belvedere zien wij als een belangrijke mijlpaal op de weg naar een beter begrip voor het maatschappelijke en ruimtelijke belang van de cultuurhistorische waarden.
We willen daarom niet uitsluiten dat het tijdsaspect mede een rol heeft gespeeldbij de ongelukkige ervaringen die u in de brief hbt beschreven. De gebeurtenissen hebben zich immers al weer een aantal jaren geleden afgespeeld en mogelijk zouden dezelfde inspanningen van uw zijde in het huidige tijdsgewricht een geheel ander effect hebben gehad.


We willen ons echter niet rijker rekenen dan we zijn. Voorlopig zullen personen zoals u, die zich met grote toewijding inzetten voor het behoud van landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden, rekening moeten houden met onbegrip en tegenwerking.
in de ruimtelijke ordning gaat het namelijk vaak om ingewikkelde afwegings- en besluitvormingsprocessen waaarbij tegengestelde belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden. De ervaring heeft ons geleerd dat de cultuurhistorische waarden en belangen in dergelijke processen vaak voorzichtig maar doelbewust naar de achtergrond worden geschoven met als eindresultaat dat ze geheel buiten zicht verdwijnen. 
daarbij is er dan vaak niet alleen sprake van ontoereikende regelgeving of ambtelijke traagheid maar ook vaak van bewuste politieke tegenwerking vanwege de sterke economische belangen die in het spel zijn.
Daarnaast komt het vaak voor dat natuurwaarden heilig worden verklaard vanwege de druk van maatschappelijke actiegroepen met als uiteindelijk resultaat dat de cultuurwaarden geheel of grotendeels worden opgeofferd.
Uit uw brief hebben wij begrepen dat u in de omgeving van Lions die ervaring inmiddels ook al hebt opgedaan.
Het opkomen voor de cultuurhistorische waarden en de landschappelijke kwaliteit van een gebied is en blijft dan ook een lastige en moeizame aangelegenheid omdat een aantal processenen afwegingen vaak tegelijkertijd spelen en elkaar dan in negatieve zin beïnvloeden.
Gelet op de strekking van uw brief vertellen wij u in dat opzicht waarschijnlijk weinig nieuws.[]


Hopend u hiermee naar behoren te hebben geantwoord, teken ik, namens het bestuur van de dr AA Beekmanstichting,
prof. dr. G.J. Borger.